terug

poppenkast

 

Het eerste jaar van mijn studie (1966) zag er wat merkwaardig uit.
Ik begon met heel hard te studeren, ik schrijf met nadruk: begon.
Voorbereiding voor mijn ‘botjes’, zoals het eerste tentamen heette.
Alle botten en botjes van het menselijk lichaam met hobbeltjes, knobbeltjes en gaatjes diende ik in het Latijn te kunnen opdreunen.
Ik slaagde en dacht dat ik al bijna dokter was.
De rest van het jaar studeerde ik wel, vond ik, maar had eigenlijk meer aandacht voor wat er buiten de collegezalen gebeurde.
Ik schakelde terug, van vier naar drie, van drie naar twee.
Tenslotte liet ik mij, in z’n vrij, voort blazen door de wind van het plezier.
Ik trok mijn bruine ribfluwelen pak en mijn suède ‘Clarks’ aan en later liet ook nog mijn haar groeien tot op mijn schouders.
Op de vrijdag en zaterdagavonden reed ik op mijn Puch naar Utrecht en ging helpen in de Muzeval.
De Muzeval was hét cabaret van Utrecht.
Onder de Bakkersbrug over de Oude Gracht, in een werfkelder onder de HEMA, exploiteerde cabaretier Hennie Oliemuller een zaaltje, waar hij zijn cabaretprogramma presenteerde.
Ik vond het leuk hem te helpen met stoelen sjouwen, achter de bar werken, decorstukken verplaatsen, het licht te verzorgen en als klapvee te dienen.
Het was dan de bedoeling dat ik hard lachte om grappen en grollen, die ik al tig keer gehoord had.
Ik vond dat helemaal niet erg, want het avontuurlijke artiestenleven lonkte naar mij.
De uren voor de voorstelling met de spanning of er publiek zou komen en hoeveel.
De uren er na, als we nog gezellig met een groepje medewerkers de kroeg in gingen.
Hennie leefde als een bohemien, van de ene dag op de andere en voelde zich daar prima bij.
Zijn teksten waren soms geniaal, zijn presentatie was vaak matig.
Het muffige theatertje had hij, met wat hulp, opgeknapt.
Alles was zwart geschilderd in het zaaltje.
Zo hoorde dat in die tijd.
Als tegenprestatie mocht ik op zaterdagmiddag zijn kelder lenen om een kinderprogramma te ontwikkelen.
Ik gaf al goochelvoorstellingen aan kinderen en had in de loop van de tijd een programma van drie kwartier opgebouwd.
Om een middagvullende voorstelling te creëren was meer nodig dan alleen goochelen.
Er moest nog iets bij komen, iets vóór de pauze.
Na wikken en wegen werd het een poppenkast.
Een acrobatiek act zag ik niet zo zitten met mijn postuur…
Ik koos voor een klassieke poppenkast met een klassiek Jan Klaassen verhaal.
Na een nacht schrijven was het verhaal geboren: Jan Klaassen en de betoverde patates frites.
Op de één of andere manier had Hennie subsidie bij de gemeente weten los te peuteren om voor zijn theater een poppenkast te bouwen.
Twee weken later was de poppenkast gezaagd, getimmerd, geschilderd en aangekleed.
Het werd een grote kast, gebouwd van platen triplex op een lattengeraamte, waarbij ik zittend op een kruk net boven mijn hoofd kon spelen.
Ik koos er voor om met handpoppen te gaan spelen, mede omdat de bouw van het theatertje zich minder goed leende voor marionetten.
Nadat ik schetsjes gemaakt had van de poppen, begon het creëren van de koppen.
Het moesten karakterpoppen worden, waarbij 'goed' en 'kwaad' voor de kinderen helder van elkaar te onderscheiden waren.
De koppen boetseerde ik in plasticine.
Daarna bedekte ik de koppen met kleine stukjes verbandgaas, gedrenkt in houtlijm.
De koppen werden daarna gescalpeerd (de snijdoos practicum zoölogie leverde het benodigde gereedschap) en uitgehold.
Daarna schilderde ik de koppen, voorzag ze van haar en werden zij verder aangekleed door mijn moeder.
Het verhaal was simpel, zoals een klassiek poppenkastverhaal dient te zijn.
Er kwamen zes figuren in voor en daarmee had ik een probleem voor mijzelf geschapen.
Ik had slechts vier stemmetjes en twee handen tot mijn beschikking.
Jan Klaassen, sjeik Ali Ben Hatsjie, veldwachter Brombrom en de boef Leipi Link werden door mij ge- en bespeeld.
Op een advertentie ‘poppenspeelster gezocht’ reageerde Hannie.
Hannie was een bibliothecaresse, dus dat kwam prima van pas toch (?).
Na een auditie van vijf minuten vond ik dat Hannie het moest worden.
Zij werd verantwoordelijk voor het wel en wee van Katrijn en prinses Pruimondia.
We studeerden het verhaal in en repeteerden een aantal malen zonder publiek.
Voor de zekerheid had ik de tekst nog eens uitgetypt op een aantal A4tjes en deze aan de binnenzijde van de kast bevestigd.
Tussen de papieren had ik voor Hannie en mijzelf een kijkgaatje gemaakt, zodat we ons publiek konden observeren.
Op zaterdagmiddag om 12:00 uur hing ik een groot bord aan de Bakkersbrug.
Op dit bord stond in plakletters aangekondigd dat hedenmiddag om 15:00 uur een kindervoorstelling (poppenkast en goochelen) zou plaatsvinden in de Muzeval.
Entree: 1 gulden en vijftig cent.
Ik had een gat in de markt gevonden.
Per middag kon ik ruim tachtig kinderen in het theatertje proppen.
Behalve voor kinderpartijtjes was dit evenement ook uitermate geschikt voor ouders die hun kind(eren) voor een paar uurtjes wilden dumpen om zelf ongestoord te kunnen gaan winkelen.
Na een korte periode warm lopen, waren de zaterdagen meestal uitverkocht (what is in a name?).
Als alle kinderen binnen waren, begon het pas echt.
Ik rende de werftrap op, haalde snel het bord van de brug, rende weer naar beneden en deed de deur van het theater achter mij op slot.
Deze kleine exercitie was nodig om de gemeentelijke vermakelijkheidsbelasting te ontduiken, die in Utrecht onbehoorlijk hoog was.
In die tijd had je namelijk nog controleurs van vlees en bloed, die tijdens een voorstelling binnenwandelden en begonnen op te tellen…
Ik had dat tijdens een voorstelling van het cabaret al eens een keer meegemaakt en dat scheelde erg veel inkomsten.
Als alle jasjes aan de kapstokken hingen, uiteraard deden wij de vestiaire zelf, werd het gordijn weggeschoven dat het bar-vestiaire deel scheidde van de zaal.
Na de één week had ik al geleerd dat ik, voordat de voorstelling begon, nog even vroeg of er kinderen waren die moesten plassen.
De eerste keer deed ik dat niet met als gevolg dat er tijdens de voorstelling een kindje
opstond om te gaan plassen en daarna nog één en daarna nog één…
Tenslotte stond de helft van ons publiek met de handjes tussen hun benen te huppelen voor het toilet.
De kinderen en eventuele begeleiders namen hun plaatsen in en de voorstelling kon beginnen.
De gekleurde spots floepten aan, het zaallicht werd gedimd en het doek ging open, zodat de speelopening van de kast goed in het zicht kwam.
In het begin probeerden wij ons scherp te houden aan de dialogen, die op papier stonden.
Tijdens de eerste voorstellingen bleek al rap dat ik niet erg tekstvast was en dat het voor mijn medespeelster niet altijd even gemakkelijk was mij te volgen in mijn improvisaties.
Geleidelijk aan gingen wij meer op het publiek spelen.
Je ontdekte waar de ‘lachen’ zaten, dus waar je pauzes diende in te lassen en op welke momenten je de kinderen het beste kon betrekken in het spel.
Het was altijd fascinerend om te zien, hoe snel kinderen in een verhaal zitten.
Daar waren de kijkgaatjes zeer functioneel voor.
Intussen vonden er in de poppenkast helse gevechten plaats.
Behalve door de poppen werd er ook gevochten door de spelers.
Vooral wanneer een speler , die links zat, met een pop op de linkerhand van rechts moest opkomen en vice versa.
De term ‘ongewenste intimiteiten op de werkvloer’ was toen nog niet uitgevonden.
Een hoogtepunt in de voorstelling was het moment dat het kwaad gestraft diende te worden.
De boef was betrapt bij het plegen van zijn snode misdrijven.
De kinderen mochten een passende straf bedenken voor de boef.
Dit varieerde van ophangen, vierendelen tot zijn handen of kop afhakken en vergassen... ook toen.
Uiteraard was er een happy end en werden de kinderen voorzien van limonade en een plak koek.
Besmeerd met roomboter, want kosten noch moeite werden gespaard. 
Hannie zong na de pauze wat liedjes met de kinderen.
Het podium werd snel omgebouwd en in gereedheid gebracht voor de goochelaar Pajoha.
De goochelaar was een schlemiel bij wie alles leek te mislukken.
Bovendien was hij oliedom en begreep de kinderen voortdurend verkeerd.
Dit waren de ingrediënten van mijn goochelact.
Succes verzekerd.
Zoals bij alles wat op het podium gebeurt, is timing uiterst belangrijk.
Het presenteren van een kinderprogramma moet niet worden onderschat.
“Doe maar wat”, is een kreet die ik nogal eens hoorde.
Niets is minder waar.
.......................................................................................

Hoe dit verhaal verder gaat, kunt u lezen in mijn boek.

klik op de foto's:

                                                              

                                                                                                                                                      
                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                    
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008