op bezoek in
4008
Alsof
een verborgen hand
aan de dimmer van de zon draait.
Zo lijkt het wanneer het
felle witte licht minder wordt en ik om mij heen kan kijken.
“Goedemiddag”, zegt de kale oranje roze man,
die naast de liftdeuren staat.
“Ik ben uw gids in dit
jaar vierduizend acht.
Wilt u mij volgen?
Kijkt u rustig rond en
als u vragen heeft dan hoor ik het wel.”
Ik doe wat hij voorstelt
en kijk om mij heen.
Het park waarin ik sta
doet mij denken aan het park waar ik vertrokken ben.
Toch is het hier anders.
Ik kan niet meteen zien
wat het verschil is.
De bomen zien er anders
uit.
“Ja, ik zie waar u naar
kijkt”, zegt de kale oranje roze man.
“Alles wat u hier ziet is
van kunststof.
De bomen, de struiken,
het gras en de bloemen, zelfs de aarde.”
“Dat is schrikken”, weet
ik slechts uit te brengen.
De kale oranje roze man
vervolgt onverstoorbaar: “De normale flora, zoals wij die tot
een duizend jaar geleden gekend
hebben is volledig uitgestorven.
Wetenschappers zijn er in
geslaagd kunststof ontwerpen te maken van alles wat de flora betreft.
Daarvoor is de ontdekking
van een opslagplaats van zaden van alle planten, gewassen en bomen, die
opgeslagen waren in
Alaska hen zeer behulpzaam geweest.”
“Verschrikkelijk”, zeg ik
zachtjes.
“Vindt u?’, vraagt mijn
gids, “bereidt u dan voor op het ergste, dit is pas het
begin…”
“Toch ruik ik iets dat in
de verte op boslucht lijkt”, stel ik vast.
“Op vaste tijden wordt er
boslucht vrijgemaakt door de takken van de bomen.
Dit gaat volledig
automatisch en is mede afhankelijk van de windsnelheid.”
“Het spijt mij, ik vind
het meer toiletverfrisser”, stel ik vast.
“Tja, het is vierduizend
acht”, verontschuldigt de gids zich.
“Iedere boom, struik,
plant heeft een kunstmatig groeimechanisme.
De snelheid van groei
wordt centraal
bepaald.”
Het begint me te
duizelen.
Ik heb veel, heel veel
vragen, maar om door de kunststofbomen het kunststofbos te kunnen
blijven zien, houd ik nog even
mijn mond.
Wij lopen een stukje door
het park en dan kan ik mij niet langer inhouden.
“Zijn de mensen soms ook
van kunststof”, vraag ik voorzichtig.
“Nee hoor”, zegt de kale
oranje roze man opgeruimd.
Ik hoor zacht blazen
achter mij.
“Wat is dat?”
“Dat is een mengsel
van zuurstof en
stikstof, dat toegevoegd
wordt aan de lucht, zodat de samenstelling op het
juiste peil blijft.
“Kijk”, zegt mijn gids,
“daar komt net een mens aan.”
In de verte zie ik een
menselijke gedaante aankomen.
Het is naakt en kaal.
Ik zie nergens enige
beharing, noch wenkbrauwen, noch okselbeharing, noch schaamhaar.
Ik spreek van 'het',
omdat voor mij niet te zien is of er een man of een vrouw aankomt.
De borstkas is glad en
tepels zijn nauwelijks aanwezig.
In eerste instantie zou
ik dus denken een man.
Maar als ik mijn blik
laat zakken, zie ik dat de navel ontbreekt en dat er ook geen
geslachtsdelen zichtbaar zijn.
Vlak boven het schaambeen
zit iets wat ik het best kan beschrijven als een luikje van vijftien bij
vijftien centimeter.
Voordat 'het' binnen
gehoorsafstand is, vraag ik aan de kale oranje roze man:
“Misschien wel een stomme vraag, maar is dit
een man of een vrouw?”
“Dit is geen man en geen
vrouw, dit is een mens”, antwoordt mijn gids.
“Dat schiet niet echt
op”, denk ik bij mezelf.
“Goedemiddag”, zegt 'het' in mijn eigen taal.
“Goedemiddag”, zeg ik
schuchter, “hoe maakt u het?”
“Wat bedoelt u?”, vraagt 'het'
mij met een uitgestreken gezicht.
De kale oranje roze man
helpt mij door te zeggen: “Meneer bedoelt, hoe gaat het met
u?”
“Meneer?”
“Stop!’, zegt de gids,
“dit gaat fout.”
Tegen “het” zegt hij dat
hij mij even uitleg moet geven.
De kale oranje roze man
richt zich tot mij: “Zo’n vierhonderd jaar geleden
dreigde de mensheid uit te sterven.
De wetenschap was
inmiddels zo ver dat door mutaties aan te brengen in de genen de mens
in enkele generaties werd gemanipuleerd
tot dat wat het nu is”.
“En wat is dat dan precies?”,
vraag ik nieuwsgierig.
“De mens is geworden tot
een geslachtloos zichzelf voortplantend wezen”, zegt hij
trots.
De kale oranje roze man
begint nu echt enthousiast te worden.
“U kunt zich misschien
wel voorstellen wat een voordelen dat heeft?”
“Nou, als ik eerlijk moet
zijn, eigenlijk niet…”.
“Kijk”, zegt de gids als
een schoolmeester tegen zijn leerling.
“Bijvoorbeeld: als bij ons een plant of
een boom dreigt dood te gaan, begint deze te bloeien, om er zeker van
te zijn dat de soort in
stand blijft.
En dan moeten we nog maar afwachten hoe dat afloopt.
Je zou kunnen zeggen, een voortdurend gevecht,
survival of the fittest.
Er zijn nu dusdanige
veranderingen in de genen aangebracht dat de mens zichzelf op identieke
wijze
in stand houdt door zichzelf
voort te planten”.
Ik ben met stomheid
geslagen en probeer iets intelligents te zeggen: “Een
zelfregulerend systeem dus.”
“Precies”, zegt mijn metgezel.
Ieder antwoord dat ik
krijg, roept tientallen vragen op.
“Maar waar komen de
kinderen dan vandaan?”
De kale oranje roze man
begint te lachen: “Waar denkt u dat dit voor is?”
Terwijl hij dat zegt
wijst hij op het lichaamsdeel dat ik 'luikje'
genoemd heb.
'Het' kijkt mij
onverstoorbaar aan.
Achter 'het' zijn
intussen meer mensen komen aanlopen.
Iedereen kijkt even
strak.
“Maar hoe leven de mensen
dan?
Ik bedoel, bestaan er nog
huwelijken of partners?”
“Nee”, zegt de
gids,”ieder individu leeft op zichzelf en de genen zijn ook
zo geprogrammeerd
dat men elkaar eigenlijk ook
niet nodig heeft.
Daarvoor was het nodig om
emoties zo veel mogelijk uit te schakelen, dus geen liefde, geen
vriendschap, geen
verdriet, geen boosheid en daardoor ook geen oorlogen.
Zo simpel als wat”, is
het luchtige antwoord.
Ik kijk eens naar de
individuen die zich inmiddels om mij heen verzameld hebben.
“Hoe heet u?", vraag ik aan
de mens die als eerste aankwam.
“Mijn naam is Zadjev
723”, zegt het, “maar zegt u maar Zadjev.”
“Mijn naam is Paul.
“Hoe komt het dat u mijn
taal spreekt?”
“Precies weet ik het
niet, maar het heeft iets te maken met genetische manipulatie van het
spraakcentrum en de frontale
hersenschors.
In onze hersenen zijn
alle talen en dialecten geprogrammeerd en opgeslagen, zelfs plat Bosch, om maar eens
een voorbeeld te geven”.
Zadjev zegt dit zonder
een spier te vertrekken.
De kale oranje roze man
voegt daar aan toe: “Dit voorkomt veel misverstanden, ook
internationaal en in de communicatie
tussen verschillende planeten”.
Alleen deze laatste opmerking
roept al weer oneindig veel vragen op, maar ik zie in dat ik mij zal
moeten beperken, omdat ik
anders binnen een paar uur krankzinnig word.
“Zadjev, kent u het woord
‘gevoel’?”
“Ik denk dat ik uit
wetenschappelijke geschriften weet wat het betekent, maar wij mensen
hebben nauwelijks nog
gevoel.”
Zijn gezicht blijft
onbewogen.
Ook de anderen reageren
niet.
Zadjev ziet dat ik naar
hen kijk en zegt achteloos: “Ik ben hun leider, zij praten
alleen als ik hen toestemming geef.”
Ik wil vragen of zij zich
gelukkig voelen, maar slik de vraag weer in, omdat deze zinloos lijkt.
“Maar als een mens niet
meer voelt kun je toch nog nauwelijks van leven spreken?”,
vraag ik mijzelf af.
Alsof Zadjev mijn
gedachten kan lezen, zegt hij: “Soms heb ik wel eens een
moment dat er iets vreemds met mijn lichaam
of met mijn gedachten gebeurt.
Dan vloeit er ineens zout
water uit mijn ogen.”
“Tranen, dat noemen wij
tranen!”, roep ik blij, “dus u heeft toch nog wel
een beetje gevoel.”
...........................................................................
© copyright paul hammelburg 2008