mijn vader
Als ik met mijn kinderen
naar Amsterdam ging, was het uitje niet compleet zonder een bezoek aan Van Dobben in de
Reguliersdwarsstraat , om daar een lekker broodje te eten.
Dat hoorde er gewoon bij,
maar ja, dat was geen wonder, want ik leerde dat weer van mijn vader.
In die tijd waren er nog
twee broodjeszaken Van Dobben, naast elkaar, met een luikje er tussen.
“En wat voor een broodje
wil je, jongen?”
“Een broodje kroket met
een glas melk!”
Mijn vader nam altijd een
broodje halfom.
Hij vond de broodjes van
Van Dobben het lekkerste, want die werden altijd
zo ‘slordig’ belegd, zoals hij dat noemde.
Je kreeg dan een broodje
waar aan alle kanten het vlees uitpuilde.
Ik heb nog steeds het
idee dat de broodjes tegenwoordig een stuk kleiner zijn.
Het kan natuurlijk ook
zijn dat ik een stukje groter geworden ben.
Maar nog steeds ga ik er
met plezier een broodje eten; je zou dat traditie kunnen noemen.
Zo af en toe had mijn
vader de onbedwingbare behoefte een dagje naar Amsterdam te gaan.
Geboren in hartje
Amsterdam, op de Nieuwmarkt, ging hij dan op zoek naar het verleden.
Als jongetje vond ik het
geweldig als ik met hem mee mocht.
Het had ook wel iets triests,
iets hopeloos, iets wat ik toen nog geen naam kon geven.
Hij leek naar plekken te
zoeken, die hem herinnerden aan vroeger.
Probeerde de lucht op te
snuiven die er niet meer was.
Wij liepen over de
Nieuwendijk.
Eén van de vele
kledingzaken bediende zich nog van een stoepier, een praktisch
uitgestorven
beroep.
“Kijk, Paul, nou gaan we
voor die kledingzaak daar staan en dan moet je opletten wat er
gebeurt”, waarschuwde mijn vader
mij dan.
Mijn vader ging quasi geïnteresseerd
naar binnen staan kijken.
We stonden er nog geen
twee tellen of een man in een geruit kostuum en met een deukhoed op sprak ons opgewekt aan.
“Goedemiddag meneer,
jongeheer!
Kijkt u eens wat een schitterende kostuums wij in de
aanbieding hebben en binnen hebben
we nog veel meer”.
Zo probeerde hij mijn
vader en mij naar binnen te lokken.
Na enige koetjes en
kalfjes liepen wij weer door en was, wat mij betreft, de operatie
geslaagd.
Ik genoot altijd van deze
korte eenakter.
Uren kan hij op het
Waterlooplein gefascineerd staan kijken naar standwerkers, die hun
uiteenlopende waar aan de
man brachten.
Hij zei dan: “Van
standwerkers kan iedere verkoper, groot of klein, het vak
leren”.
Ik wist niet beter dan
dat mijn vader ‘Charles’ heette.
Tot de keer dat hij mij
meenam naar de Albert Cuypmarkt.
Terwijl wij over de markt
liepen en ik mijn ogen uitkeek naar de prachtige viskramen met de meest exotische
vissoorten, hoorde ik iemand achter ons roepen.
“Hé Sallie, ben jij
het?”
Verbaasd keek ik om.
Een man staarde mijn
vader aan.
Het bleek een jeugdvriend
van hem te zijn.
Sallie, Sallie?
Ik kende alleen de naam
‘Charles’.
Later werd het allemaal
duidelijk.
Mijn vader wilde het
verleden definitief achter zich laten.
Door zijn naam te
veranderen van ‘Salomon’ in
‘Charles’, stelde hij een daad.
Vanaf die dag werden
officiële documenten door hem ondertekend met:
‘S. Hammelburg, zich
noemende en schrijvende C.S. Hammelburg.’
Mijn vader was een
bijzonder mens.
Natuurlijk, het was mijn
vader.
En ik was dolgelukkig als
hij achter zijn krant vandaan kwam.
Als hij mij bij zich
toeliet.
Zoals
in de schoolvakantie, als ik met hem mee
mocht, op reis.
Hij was vertegenwoordiger
bij de firma Jongeneel, houthandel.
Dagelijks ging hij op pad
om per trein zijn klanten te bezoeken.
Een rijbewijs had hij
niet, maar één keer in de zes weken ging hij met
auto, met chauffeur, naar zijn klanten, die moeilijk per
trein te bereiken waren.
Om 7.00 uur ’s morgens
verscheen er dan een enorm slagschip (Chevrolet) voor de deur.
Aanvankelijk droeg de
chauffeur een pet en handschoenen, maar dat vond mijn vader niks.
“Zo kan ik niet bij mijn
klanten verschijnen”, zei hij dan.
De chauffeur had een
stopwoord, eigenlijk een stopzin…
Hij zei om de drie
zinnen: “Nou, nou, nou, nou, nou, nou.”
Om de spanning bij mij op
te voeren, waarschuwde mijn vader mij van te voren dat ik vooral niet mocht gaan lachen, als
mijnheer Van Leur zijn“Nou, nou, nou, nou, nou, nou” zou uitspreken.
Mijnheer
Van Leur kwam, voor vertrek, altijd nog even een
kopje koffie drinken.
En ja hoor, ik had de
voordeur nog niet opengedaan of
daar
ging ie: “Goedemorgen, meneer Hammelburg.
Het is prima weer om te
rijden, nou, nou, nou, nou, nou, nou….”
Ik kon mijn lachen
natuurlijk amper inhouden.
De benauwdheid nam nog
toe, als mijn vader mij met een stalen gezicht aankeek en vroeg:
“Is er iets?”
En dan met die slee op
stap, de hele dag.
Omdat mijn vader met zijn
klanten vaak een bijzondere en persoonlijke relatie onderhield, mocht
ik nog wel eens mee naar
binnen.
“En dit is mijn jongste
zoon Paul”.
Meestal gevolgd door:
“Hij wil later dokter worden.”
Mijn vader wist ook
precies waar je
lekker kon eten.
In Eindhoven, in de
stationsrestauratie, was de biefstuk heel goed.
In Tilburg zat een goed
Indisch restaurant.
En het feest was helemaal
compleet, als hij ’s middags vrij had gepland en mij meenam
naar de Efteling.
Overal wist hij de weg en
iedereen kende hem als een joviaal prettig mens.
En overal liet hij een
spoor achter van half opgegeten sigaren en sigarendoosjes, die hij vol
droedelde met prachtige portretten.
Toch was hij thuis
anders.
Veel minder vrolijk, veel
minder joviaal.
Hij deed zijn clownspak
uit, zodra hij een voet over de drempel zette.
Het was dan een geknakt
mens, die niet vond dat het leven hem recht had gedaan.
Vaak ging ik tegen half
zes ‘s avonds mijn vader van de trein halen.
Ik wachtte dan op het
hekje voor het perron tot de trein kwam.
Uitkijken naar de 1e
klas wagon en opletten of ik het vertrouwde figuur van mijn vader zag.
Ja, daar was hij!
Een half afgekloven
sigaar in zijn mond, keurig in het pak, afgezakte broek en aktetas in
de hand.
En als wij elkaar hadden
begroet, vroeg ik meteen of hij een hazenbroodje voor mij bewaard had.
Een hazenbroodje was een
broodje dat ’s morgens door mijn moeder klaar gemaakt was,
daarna was verdwenen in de tas van
mijn vader en er nu, onaangeroerd, weer uitkwam.
Er kwam dan uit zijn tas
een platgedrukt zakje, waarin een nog platter gedrukt broodje zat.
Als ik dat broodje dan
uit het zakje had gepeuterd, genoot ik van het lekkerste stukje gebak
wat er bestond: een hazenbroodje
van mijn vader.
Er waren dagen dat mijn
vader geen zin had in bezoek.
Zo ook op een zondag,
waarop mijn moeder niet thuis was.
Mijn vader zag iemand
aankomen bij het tuinhek en riep mij snel.
“Daar is tante Frans, kom
vlug, Paul, we gaan onder de tafel zitten”.
Wij kropen onder de
eettafel en bleven stil zitten.
..............................................................................
© copyright paul hammelburg 2008