terug

kabouters zijn niet kinderachtig

 

Mijn huis staat twee minuten van het bos.
Toen mijn kinderen nog klein waren, fietste ik met ze het bos in.
Lonneke voorop in het zitje en Joost achterop.
“Benen goed wijd houden, anders komen ze tussen de spaken”.
“Jongens, we gaan op zoek naar de kabouters”.
Zodra ik het bospad opreed, begonnen ze al.
“Daar zag ik er al één, pap”.
“En daar ook”.
“En daar”.
“Wat voor kleur puntmuts hadden ze?”, vroeg ik want ik had ze nog niet gezien.
“Blauw en geel”.
“O, dan moeten wij nog een stuk verder fietsen, want daar zitten de echte kabouters, die met een rode puntmuts”.
De kinderen wipten bijna de fiets af van enthousiasme en ik had de grootste moeite om de fiets op het pad te houden.
Het pad kronkelde verder het bos in en wij kwamen het gebied binnen van de kabouters met de rode puntmutsen.
Mijn kinderen wisten dat precies.
“Let op, pap, hier zitten heel veel kabouters”.
En ja hoor, overal kabouters, op boomstammen, achter struiken, op polletjes gras.
Het is wonderlijk, want als ik alleen was, dan zag ik ze nooit.
Maar was ik met de kinderen, dan ging er niet één keer voorbij, dat ik ze niet zag…
“Zou het iets te maken hebben met de aanwezigheid van kinderen”, zo vroeg ik mij af.
“Het is wel ruim vijfentwintig jaar geleden dat ik voor het laatst een kabouter gezien heb.”
Het waren gedachten die zo door mijn hoofd gingen, als ik door het bos liep.
Vaak loop ik datzelfde rondje door het bos, vaak ben ik dan ook diep in gedachten.
Maar als ik in het gebied kom, waar ik vroeger altijd de kabouters met de rode puntmutsen zag, kijk ik altijd om mij heen.
Zo ook vandaag, op deze vroege voorjaarsdag.
De natuur rekt zich eens flink uit na de winter.
Hier en daar knipogen de eerste knoppen aan de kale takken naar mij.
Ik loop wat dichterbij om het jonge groen goed te kunnen bekijken.
“Jammer, dat ik geen fototoestel bij mij heb”, bedenk ik.
Het is windstil.
Ik hoor iets ritselen, alsof een egel zich beweegt tussen de oude bladeren van vorig jaar.
Mijn blik gaat naar de plek waar het geritsel vandaan kwam.
Voorzichtig loop ik die richting uit.
Het geluid komt achter een dikke boom vandaan.
Een eekhoorn misschien?
Heel langzaam beweeg ik mij langs de boomstam en kijk aan de achterkant.
In eerste instantie zie ik niks bijzonders.
Dan kijk ik naar beneden en zie een kabouter zitten.
Hij zit daar, rug tegen de boomstam, rode puntmuts, in volle glorie.
Ik moet eerlijk zeggen, je schrikt toch even, als je zo ineens een kabouter ziet.
Zonder te bewegen, kijk ik nog eens heel goed naar de kabouter.
Bij nadere beschouwing zit hij eigenlijk helemaal niet in volle glorie.
Zijn houding straalt geen levenslust uit.
Zijn hoofd is gebogen en met een klein takje zit hij in de grond te prikken.
Naast hem staat een klein bordje op een stok.
Er staat iets op geschreven, maar ik kan de tekst niet goed lezen.
Omdat ik wat onhandig om de boom heen sta te gluren, doe ik een stap opzij.
De kabouter beweegt niet en gaat door met poeren.
Ik blijf stil staan.
Opeens zegt hij, zonder op te kijken: “Ik heb je heus wel gezien, hoor”.
Zijn stem klinkt vermoeid en zacht.
“Goeie…, goeiemiddag”, zeg ik hakkelend.
“Ja, van hetzelfde”.
“Mag ik gaan zitten?”, vraag ik beleefd.
“Je doet maar”, zegt de kabouter afgemeten en gaat de andere kant op zitten kijken.
Ik trek mijn jack uit spreidt het uit en ga er op zitten, naast de kabouter, ook met mijn rug tegen de stam.
“O, meneer, is bang dat hij een beetje vies achterwerk krijgt, meneer is kennelijk van suiker”, zegt de kabouter op een spottende toon.
Ik kijk verbaasd naar de kabouter en vraag: “Waarom doe je eigenlijk zo boos tegen mij?”
“Waarom doe je eigenlijk zo boos tegen mij, waarom doe je eigenlijk zo boos tegen mij?”, zegt de kabouter , mijn vraag imiterend en nu naar mij opkijkend.
Zijn gezicht heeft van kwaadheid inmiddels de kleur rood van zijn puntmuts aangenomen.
“Ja, waarom zou ik in hemelsnaam nou zo boos tegen jou doen?”
“Wat zijn mensen toch dom!
Geloof me, een stommere vraag bestaat er werkelijk niet”, zegt hij met een zucht.
“Sorry, ik snap het echt niet, leg het mij alsjeblieft uit”.
De kabouter kijkt mij opnieuw aan.
Het puntmutsrood is wat weggetrokken uit zijn kaboutergezichtje.
Alleen zijn wangen en zijn neus zijn nog rood, zoals dat ook hoort bij een kabouter.
Rond zijn vriendelijke ogen zitten vele rimpels en ook zijn voorhoofd is diep gegroefd.
Met zijn handje schuift hij zijn puntmuts een beetje naar achter.
De kabouter zucht nog eens diep.
“Goed, ik leg het je uit.
Mag ik je een vraag stellen?”, zegt hij zacht.
“Natuurlijk”, antwoord ik.
“Hoe vaak loop jij door het bos?”, is zijn eerste vraag.
“Nou, een keer of drie per week, soms vaker, soms minder vaak”.
“Mooi, en hoe lang doe je dat al?”, vervolgt hij.
“Al jaren!”, antwoord ik.
“Juist”, beaamt de kabouter en vervolgt op luidere toon: “En hoe vaak heb je mij gezien?”
Ik durf niet meteen antwoord te geven.
“Wel?”, moedigt de kabouter mij aan.
“Nooit”, fluister ik.
“Precies!”, zegt de kabouter, daarbij nadrukkelijk knikkend.
...........................................................................

 Hoe dit verhaal verder gaat, kunt u lezen in mijn boek.

                                                                                                                                                               


                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008