terug

het rariteitenkabinet

 

Mijn ouderlijk huis werd in de loop van de jaren ‘geteisterd’ door de meest uiteenlopende
bezoekers en logees.

Zo was daar Dina van Delft.
Een vage kennis van mijn vader.
“Zeg maar tante Dina”, werd ik altijd aangemoedigd.
Maar het was helemaal geen tante en ik vond het ook geen tante.
Zij was een dominee, die af en toe kwam logeren en dan zware filosofische gesprekken met mijn vader hield.
Dina was een antroposofische veganiste en vaginiste, dat is wat zij uitstraalde.
En ja, het was het geitenwollensokkenenzelfgesponnenengeverfdewollentruienmetplasticschoenen
type.
Dat was niet erg, ik had er tenminste geen last van, eerder plezier.
Want als zij op bezoek kwam had zij altijd een Tupperware bakje met haar eigen  (onbespoten) groen bij zich.
Dat werd vervolgens aangevuld met spulletjes, die zij bij ons in de tuin ging zoeken, zoals Oost-Indische kers.
De eerste keer vroeg ik aan mijn vader, wat zij aan het doen was.
Mijn vader antwoordde: “Weet ik ook niet, maat haar maar even aan grazen.”

Tante Renée was een ongetrouwde jeugdvriendin van mijn moeder.
Zij kwam logeren tijdens feesten en verjaardagen.
Een lange magere, onaantrekkelijke hark van een vrouw met grijs haar, een geel gore gelaatskleur en een los stukje in haar mond.
Tante Renée geilde op het moment dat mijn vader schuine moppen begon te vertellen.
Zij ging dan op het puntje van haar stoel zitten wippen en gilde het uit na iedere mop.
Voor mij was dat minder leuk, want er werd dan prompt overgeschakeld op een andere taal, Frans of Engels.
Behalve dat zij aardig piano speelde, had zij nog een bijzondere gave.
Tante Renée kon fluiten en tegelijkertijd de tweede stem neuriën.
Wie deed haar dat na!

Tante Mietze was mijn klaagtante.
Zij leed altijd.
Zo zag zij er ook uit.
“En tante Mietze, hoe is het met u?”
“Ach kind, wat zal ik zeggen.
Het is moeilijk.
Ik heb weer reumatiek en alles zit tegen.”
Soms kwam zij met een grote bos bloemen, die zij onderweg van het station naar ons huis plukte in de tuinen die zij passeerde….
Een andere keer kwam zij met een boeket wat zij in Amsterdam gekocht had.
Na één dag gingen de bloemen al slap hangen.
Doodgemoedereerd ging zij naar de plaatselijke bloemist en klaagde en zeurde daar eindeloos lang over de slechte kwaliteit bloemen, die zij daar niet gekocht had.
De bloemist werd het zo zat dat hij haar een andere bos bloemen meegaf.
Tante Mietze was weer tevreden.

Soms scheurde er op zondag een grote Mercedes voor.
De familie Van de Ark stond voor de deur.
De bestuurder van de auto kende maar twee snelheden: vol gas en vol op de rem.
Hij, oom Werner, was een vriend uit kamp Westerbork.
Zij, tante Magda,  was een massale vrouw met een pafferig, opgeblazen en bleek gezicht.
Standaard was zij gekleed in een wit blousje…  nou ja… blouse en een wereldomvattende plissérok.
Hij was een zeer artistieke man, met Ben Goerion-kapsel.
Het verleden had diepe groeven achtergelaten op zijn gezicht.
Zijn beroep was het ontwerpen en maken van hoeden.
Werner had zijn eigen atelier en leverde zelfs hoeden aan het Koninklijk Huis.
Zij was vriendelijk en veel en dat was het dan ook.
Magda liet zich op een stoel zakken, deed haar benen uit elkaar, zodat zij haar buik daar tussen kon neerlaten en at en at en at.
Werner had het dikke boek Magda al jaren uit.
Ze hadden ook nog een overeenkomst: zij spraken beiden met een zwaar Duits accent.
Zij hadden twee dochters gemaakt, met vlechten. 
Hoe dat technisch mogelijk was geweest, is mij nog steeds niet duidelijk.
Omdat tante Magda was geobsedeerd door eten, nam zij altijd een boodschappentas, met inhoud, mee.
De meisjes werden, behalve met het overvloedige lekkers dat mijn moeder op tafel had staan, ook nog bijgevoederd met banaantjes en repen chocolade. 
Voor de zekerheid…

Wij hadden een verzuurde buurvrouw, Hilde.
Trouw tot op het bot.
Alles was zwart en volgens haar was het altijd slecht weer.
Veel te praten was er niet met Hilde.
Daarom scrabbelde mijn moeder met haar.
Als mijn moeder een te lang woord legde, dus veel punten haalde, was het feest.
Ze zei dan: “Ja, nou kunnen we net zo goed overnieuw beginnen!”
Als dat niet hielp, gooide ze kwaad het bord omver.

Tante Frans was een verhaal apart.
Het was een oude buur van mijn ouders toen zij nog in Utrecht woonden.
Zij had, ook nog vóór de dood van haar man, officieren uit de kazerne op kamers.
Tante Frans had een bijzondere band met het militaire bewind, tot hoge officieren aan toe.
Niet dat tante Frans mooi was, in tegendeel.
Ik vond het geen feest om tante Frans te begroeten, want ze stonk altijd uit haar mond.
Bovendien had zij twee pukkels, met haar.
Eén op haar kin en één op haar wang.
Daarbij keek zij scheel.
Niet scheel naar binnen, dat vind ik meestal wel leuk staan.
Nee, zij keek vreselijk scheel naar buiten en dat vond ik minder aantrekkelijk.
Om het geheel af te maken, werd dit alles bekroond met de handicap dat zij stotterde.
Nu heb je stotteren en stotteren.
Wel, zij STOTTERDE, in hoofdletters dus.
Ze kon eigenlijk geen medeklinker uitspreken zonder deze in hoog tempo en vele malen te herhalen, daarbij haar hoofd langzaam naar boven bewegend.
Als u het een keer wilt horen, bel mijn broer.
Zijn imitatie van tante Frans behoort nog steeds tot één van zijn succesnummers.
En toch was het een heel lief mens; zij kon geen nee zeggen.
Ook tegen de officieren niet, denk ik.
Tante Frans had, zoals je dat noemt, honing aan haar kont.
Altijd bracht zij een reep chocolade voor mij mee… zelfs nog toen ik twintig was.
Iedereen mocht tante Frans.
Soms belde zij op en zei dan: “D,D,D,D,D,Driem,m,m,m,m,aal raden met wie je sp,p,p,p,p,reekt!”
Omdat ik het altijd zo zielig voor haar vond, raadde ik eerst met opzet twee keer fout.

Af en toe viel plotseling en onaangekondigd tante Ina binnen.
Zij had met mijn moeder de cel gedeeld toen zij opgepakt waren in de Tweede Wereldoorlog.
Als er ’s avonds tegen twaalf uur gebeld werd, was de kans groot dat het tante Ina was.
Zij was dan weer even overgewipt uit Israël naar Nederland en zocht een slaapplaats.
Soms kwam zei in militair uniform en bracht gezellig haar uzi (mitrailleurpistool) mee.
Tante Ina streed mee voor de vrijheid van Israël.
Ik zag foto’s van haar van lang geleden.
Het was een prachtige vrouw geweest met lang golvend zwart haar en schitterende donkere ogen.
In de liefde had zij niet veel geluk.
Zij flapte er alles uit wat zij dacht en dat bracht haar nog wel eens in de problemen.
Tante Ina zei ook nooit goedendag.
Als ze je ontmoette, opende zij steevast met: “Zo, ben je daar…”
De tand des tijds knaagde flink aan haar.
Tante Ina groeide steeds krommer en vond het niet nodig haar tanden, die in een rap tempo uitvielen, te vervangen door een kunstgebit.
Uiteindelijk bleef er een wat verbitterde vrouw over, die zich van de wereld afwendde.
Toen zij in Bilthoven ging wonen, begon zij zich over ontheemde katten te ontfermen.
Eerst één, toen twee, uiteindelijk tientallen.
.............................................................................

In mijn boek kunt u lezen hoe het verhaal verder gaat.

 

                                                                                                                                                 
                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                    
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008