het paasei
Wat ik aan goedbedoelde
cadeau’s in de loop van de jaren van patiënten
gekregen heb, is nauwelijks te beschrijven.
Het varieert van taarten
en spekkoek tot zwezerikken, van ‘De nachtwacht’ ,
in smyrna geknoopt, tot zelf gepunnikte
pannenlappen, van mozaïek tegeltjes tot een lederen dromedaris
met een gloeilamp in zijn rug en
dan natuurlijk tekeningen, eindeloos veel tekeningen.
Hoe pakte ik dit probleem
aan?
Ik had tenslotte geen rododendrons
om de geschenken achter
te pleuren.
De oplossing voor de
tekeningen was eenvoudig.
Die hing de assistente op
in de wachtkamer, hetgeen natuurlijk weer nieuwe tekeningen
uitlokte…
Soms hingen de tekeningen
twee, drie lagen dik.
Dat vraagstuk loste zich
vanzelf op.
Als een jonge kunstenaar
van één van die werkjes op het spreekuur kwam,
hing hij of zij het eigen product gewoon
weer bovenop.
Dat afschuwelijke gekras
van die kleine mensjes en die vertederde blikken van die moeders als
het kleinood aan de geneesgod
overhandigd werd!
De rillingen lopen nog over
mijn rug.
En de dokter maar zeggen:
“Dat heb je knap gemaakt, Keesje”.
Voor eens en voor altijd:
KINDEREN KUNNEN HELEMAAL NIET TEKENEN!!!
Geleidelijk aan had ik een
eigen tactiek ontwikkeld.
Om te beginnen bedankte
ik iedereen hartelijk en dat was ook gemeend.
De intentie dat men mij
iets wilde geven waardeerde ik absoluut.
De taarten, spekkoeken,
bonbons smikkelden wij heerlijk op.
Met de afdeling
‘non-food’ was het allemaal wat ingewikkelder gesteld.
Het aanbod was grofweg in
twee categorieën te verdelen: leuke en/of mooie geschenken en geschenken in de
categorie ‘wat moet ik er mee?’
Voor deze laatste groep
had ik de volgende oplossing bedacht.
Laat ik als voorbeeld
nemen een lelijke
imitatie van een
icoon, of leren schoenen met zo’n krul uit Turkije.
Ik zei dan tegen de gulle
gever, dat ik het cadeau zo mooi vond dat ik dat heel graag in mijn studeerkamer thuis wilde
ophangen of neerzetten.
Dat waren dan twee
vliegen in één klap.
De gever was zo trots als
een pauw, dat zijn cadeau zelfs in de studeerkamer van de dokter terechtkwam en ik was
blij dat ik er niet de hele dag tegenaan hoefde te kijken.
Uit piëteit gooide ik
nooit iets weg…, tenminste niet meteen…
De dromedaris met lamp
heb ik niet meer en die lelijke vaas is per ongeluk gevallen.
Hij was kapot, jammer!
Er waren ook cadeautjes, die
ik nooit zal vergeten.
Ik was nog maar kort
huisarts en ik had iets gedaan, waarvan mevrouw Van Bruggen vond dat zij mij moest belonen.
Het was een vrouw die het
niet breed had.
Zij kon, samen met haar
man, maar net rondkomen.
Mevrouw Van Bruggen kwam
’s morgens op het spreekuur met een doos sigaren.
Zij wachtte tot zij als
laatste in de wachtkamer zat.
Voorzichtig maakte zij de
doos sigaren open en nam er twee sigaren uit.
Uit een tijdschrift
scheurde zij een dubbele pagina en pakte de doos 'netjes' in.
Toen zij aan de beurt was
overhandigde zij mij plechtig het pakketje en zij daarbij met een zacht stemmetje: “Meneer, de
dokter, deze zijn voor u.
U heeft ze verdiend, maar
ik heb er twee uitgehaald voor die van mij”.
Ik heb dat zo lief en
waardevol gevonden dat ik het nog steeds warm krijg als ik er aan denk.
Een meest lugubere
geschenk wat ik ooit kreeg was dt van mevrouw Treurens, eigenlijk van
mijnheer Treurens.
Mijnheer Treurens was
behandeld voor gezwel in zijn gezicht.
Voordat hij bestraald
werd had men een masker gemaakt op een mal van zijn gelaat.
Uiteindelijk overleed
mijnheer Treurens aan deze tumor.
Tweemaanden later kwam
mevrouw Treurens.
“Misschien wilt u dit wel
hebben, dokter, dan denkt u misschien nog eens aan hem”.
Uit de boodschappentas
kwam een in fleurig papier verpakte doos.
Toen ik de doos opende
keek mijnheer Treurens mij aan, tenminste zijn masker.
Het was dan een soort
onderhoudsbeurt, die zij beide wilden hebben.
Ik had hun al vaker
uitgelegd dat, in mijn ogen, zo’n bezoek medisch gezien niet
veel zin had, maar dat hielp niet.
Ik legde hun uitvoerig
uit dat zo’n keuring hoogstens iets vertelde over het
verleden, maar nooit iets over de toekomst, maar
ook dat maakte geen indruk.
“Het maakt toch niet uit,
dokter, wij zijn toch particulier verzekerd”, zei mevrouw
Wieks dan altijd, alsof dat mijn visie zou
wijzigen.
Ik keurde hen dan, zoals
bij het afsluiten van een levensverzekering ook gevergd werd.
Als alles dan weer goed
bleek, konden zij met een gerust hart de paasdagen ingaan.
Bakker Wieks, zo wilde
hij nog steeds genoemd worden, was al lang met pensioen.
Het echtpaar woonde boven
zijn oude bakkerij.
Bakker Wieks was een
banketbakker van de oude stempel.
Hij maakte alles zelf, zo
ook bonbons en paaseieren.
Toen hij met pensioen
ging, had hij voor eigen gebruik een oventje op zijn werkkamer gezet.
Verder had hij al het
gereedschap en mallen voor het vervaardigen van bonbons en de mallen
voor de paaseieren ook mee naar boven genomen.
.....................................................................
© copyright paul hammelburg 2008