terug

het gesprek

 

Er zijn van die mensen, die kennen slechts twee kleurnuances: iets is zwart of iets is wit.
Daartussen zit helemaal niets.
Mevrouw Verstraaten was zo iemand.
“Die vorige assistente van u vond ik niks, maar die u nu heeft, is aardig.”
Mevrouw Verstraaten had een uitgesproken mening over alles en iedereen.
Mijn assistente had haar een paar maanden geleden eens wat uitgebreider gesproken.
Mevrouw Verstraaten moest bloed laten prikken en mijn assistente had de tijd genomen om eens wat langer met haar te praten.
Dat was kennelijk in goede aarde gevallen.
Zij was al jaren in behandeling bij een internist, onder andere voor te hoge bloeddruk.
Tussentijds liet zij die bij mij controleren.
Overigens de internist viel ook niet erg in de smaak.
“Zo’n jong broekie, daar heb ik het niet zo op, dokter”, beoordeelde zij de internist.
“Dank u wel”, dacht ik bij mezelf.
De eerste jaren dat ik huisarts was, kwamen er mensen naar mij toe, omdat zij graag een jonge huisarts wilden hebben.
Dit ging geleidelijk over in mensen, die bij mij kwamen, omdat ze juist niet zo’n jonge huisarts wilde hebben.
Zo werd ik dus, zonder het zelf goed in de gaten te hebben, langzaam maar zeker ouder.
Ik zag haar zo’n één maal per zes tot acht weken.
Het was een vast ritueel.
Zij vertelde mij dan dat zij weer zo’n last van haar ‘migraine’ had.
Zij noemde het ‘migraine’, maar dat was het niet.
Altijd hing haar hoofdpijn samen met spanningen.
Over de aard van de spanningen sprak zij zelden.
Soms had zij problemen met de buren, dan weer met haar dochter, de keer daarop met de chef van Albert Heyn.
Zij was gewend om al haar frustraties om te zetten in lichamelijke klachten.
Ondanks medicatie bleef de bloeddruk aan de hoge kant.
Af en toe kwam zij ook voor borstonderzoek.
Als ik haar onderzocht had zei ze altijd hetzelfde:
“Dokter, ze mogen die dingen er voor mij wel afsnijden, ik heb er altijd al iets tegen gehad”.
Het viel mij steeds weer op dat zij over haar borsten sprak, alsof ze niet bij haar lichaam hoorden.
Ik vond dat vreemd, later begreep ik dat beter.
Zo sudderde haar verbitterde leven voort.
Haar echtgenoot was twaalf jaar geleden overleden.
“Ach dokter, dat was zo’n lieve man, die deed alles voor mij”, klonk het spijtig.
“Maar ja, hij had een baas, die hem uitbuitte”.
“Hij heeft zich gewoon doodgewerkt, twee en zestig jaar en hij was op“.
Zo ging het jaren door tot zij op een goeie dag ineens een afspraak tussendoor maakte.
“Wil je een dubbele afspraak voor me maken, ik wil praten met de dokter”, had zij haar bezoek aangekondigd.
Op de afgesproken dag en tijd kwam mevrouw Verstraaten binnen.
Zij zag er even grauw en chagrijnig uit als altijd.
Hoewel haar mening altijd zwart of wit was, koos zij voor haar kleding een mengsel hiervan, namelijk grijs.
“Dag, mevrouw Verstraaten, ga zitten”, zei ik.
“Dag, dokter”, antwoordde zij.
Ze zag er bleek en moe uit.
Donkere kringen onder haar flets staande ogen.
Zonder dat ik iets vroeg, opende zij het gesprek.
“Ik wil met u praten”.
“Ja? Waarover?”
Zij kwam snel to the point, dus ik ook maar.
“Over vroeger”, zei zij, nu wat zachter.
Ik  bleef stil en keek haar vragend aan.
Zij keek mij even aan en sloeg haar ogen toen neer.
“Ik heb zo veel meegemaakt vroeger, wat u niet weet, wat niemand weet, ziet u”.
Haar stem was nu heel zacht en heel timide.
“Wilt u er mij over vertellen?”, trapte ik een open deur in.
“Ja”, klonk het bijna onhoorbaar.
Een suizende stilte volgde.
“Ik had een oom”, begon zij.
“De broer van mijn vader,die ….”
Een diepe zucht volgde.
“Die, die …. uh …. zat aan mij”.
Zij bleef voortdurend naar de grond kijken.
Af en toe keken haar doffe ogen even of ik er nog was.
“Ennuh …., ik moest ook aan hem zitten”.
Weer een diepe zucht.
En toen begon de grijze, altijd chagrijnige mevrouw Verstraaten, zachtjes te huilen.
Heel stil, zonder tranen, met gebogen hoofd.
“Het heeft een paar jaar geduurd en ik mocht aan niemand iets vertellen”.
Na een tijdje zei ik: “Dat moet verschrikkelijk voor u geweest zijn”.
Ze knikte nauwelijks merkbaar.
Weer was het lang doodstil.
Beide zaten wij met onze eigen gedachten.
Ik had ook wat tijd nodig om de mijne te ordenen.
“Ik was tien toen het begon”.
Stil.
“En nu ben ik zeven en zestig”.
In de stilte die nu volgde, vroeg ik mij af waarom mevrouw Verstraaten juist nu met haar geheim kwam.
“Nooit heb ik het iemand verteld, mijn man niet, mijn dochter niet, niemand”.
“Dat moet minstens zo verschrikkelijk zijn geweest”, zei ik.
“Ik schaamde me zo”.
Opnieuw begon zij stil te huilen.
Ik had zwaar met haar te doen, maar voelde dat zeggen dat zij zich niet hoefde te schamen geen enkele zin had.
“Nu heeft u het mij verteld”.
“Ja”.
“Ik ben er erg van onder de indruk en bewonder u dat u de moed bij elkaar geraapt heeft om het mij te vertellen”, zei ik.
“Ik voel mij erg opgelucht dat ik het eindelijk aan iemand verteld heb”, zei zij.
“Als u er meer over wilt zeggen, dan kan dat”, vervolgde ik.
Zij schudde haar hoofd.
Mevrouw Verstraaten stond op.
Zij vond het duidelijk genoeg voor vandaag.
“U moet mij beloven er nooit met iemand over te praten, nooit, echt nooit!”, zei zij met nadruk.
“Dat beloof ik u, ik heb mijn beroepsgeheim”, was mijn onvoorwaardelijke antwoord.
“Bedankt, dokter, dat u naar mij hebt willen luisteren”.
Voor het eerst keek zij mij weer aan.
“Bedankt dat u het mij heeft willen vertellen”, zei ik, voordat ik er zelf erg in had.
We moesten beide glimlachen.
........................................................................

Hoe dit verhaal verder gaat, kunt u lezen in mijn boek.

 

 

 

                                                                                                                                                 
                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                    
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008