de
snijzaal
Ik weet
nog goed de
eerste dag dat ik practicum anatomie kreeg tijdens mijn studie.
Iedereen vond het
spannend, maar niemand wilde het toegeven.
Tenslotte waren we
allemaal stoere jongens en meiden, toch?
En wij wilden toch dokter
worden?
Een cavia ontleden had ik
al eerder geleerd op het practicum zoölogie.
Maar nu gingen we echte
mensen ontleden, van vlees en bloed…
Nou ja, bloed zat er niet
meer in, had ik me wel laten vertellen.
De meest wilde verhalen
deden de ronde.
Inmiddels was ik in het
bezit van een mooie snijdoos, compleet met scalpels, anatomische en chirurgische pincetten,
een prepareerschaartje en een sonde.
Het practicum snijzaal is
op een maandagmiddag.
Om 13:00 uur moet onze
groep aanwezig zijn in de collegezaal, het auditorium, waar we eerst instructie zullen
krijgen.
Niemand is te laat en
iedereen zit wat stiller dan anders, te wachten op de professor.
Precies om 13:00 uur
betreedt de prof het auditorium.
Hij wordt op de voet
gevolgd door de amanuensis.
De hoogleraar in het wit
en zijn hulp in een beige stofjas.
Verschil moet er wezen
tenslotte.
“Dames en heren”, begint
hij, “U betreedt hedenmiddag voor de eerste maal de snijzaal
voor het
practicum anatomie.”
Doodse stilte.
“Ik wens dat een ieder de
preparaten, waar wij mee in aanraking zullen komen met uiterste respect
behandelt.”
Stilte.
“Uiteindelijk hebben wij
te maken met de stoffelijke overschotten van mensen, die hun lichaam
ter
beschikking hebben
gesteld ten dienste van de wetenschap.”
Stilte.
“Door hun
beslissing, hebben
zij er voor gezorgd
dat u mogelijk in de toekomst dokter kunt worden.”
Stilte.
“Ik eis dan ook uw
respect en accepteer geen grappen, gelach of flauwekul, zodra wij de
zaal betreden.”
“Mocht u zich hier niet
aan houden, dan betekent dat einde oefening voor u.”
Stilte.
Stilte.
Stilte.
De boodschap is
duidelijk.
Iedereen is doordrongen
van de ernst van de zaak.
Naast mij zit Frank.
Frank is zo’n student
die meent dat, omdat zijn pa veel geld heeft, hij iedereen kan
koeioneren .
Welbeschouwd valt hij een
beetje buiten de groep.
Op weg naar het practicum
anatomie is hij al opvallend stil geweest.
Iedereen ziet een beetje
op tegen deze middag, maar Frank ziet er, volgens mij, tegen op als
tegen
een berg!
Voordat wij de
collegezaal betreden, trekken wij onze witte jas aan.
Het is de eerste keer dat
ik in het openbaar een witte jas draag.
Dat geldt waarschijnlijk
wel voor iedereen, maar niemand laat het merken.
Iedereen trekt met een
quasi nonchalant gebaar zijn of haar jas aan.
Ruim van te voren had ik thuis
al voor de spiegel staan inschatten hoe indrukwekkend zo’n
witte jas
nu eigenlijk stond…
Als wij het auditorium
betreden valt mij al iets op aan Frank.
Zijn gelaatskleur heeft
dezelfde teint als zijn jas, namelijk spierwit.
“Voel jij je niet goed?”,
heb ik hem gevraagd.
“Niks aan de hand, kerel,
het gaat allemaal puik”, antwoordt hij luchtigjes.
Om alvast zout te strooien
in een wond die nog moet ontstaan, voegt de amanuensis ons de volgende woorden toe:
“Mocht één van u niet lekker worden,
verlaat dan op tijd de snijzaal alstublieft.”
Een zacht geroezemoes gaat
door de zaal.
Frank haalt minachtend
zijn neus op.
Het ogenblik van de
waarheid is aangebroken.
Ouderejaars assistenten
begeleiden ons richting snijzaal.
Nadat we de eerste
klapdeuren gepasseerd zijn, staan we in een kale tussenruimte.
De wanden van de ruimte zijn
geheel betegeld met witte tegels.
De vloer met grijze
tegels.
Tegen één wand staan twee
verrijdbare tafels van glanzend roestvrij staal, naast een eveneens
roestvrij stalen aanrecht
met
wasbak.
Alles glimt.
Verder is de voorruimte
leeg, behalve dan dat de atmosfeer overheerst wordt door de
geur van formaline.
Iedereen, die de
doordringende onaangename geur ooit geroken heeft, zal deze nooit
vergeten en
altijd herkennen.
We zijn er klaar voor en
de volgende klapdeuren gaan open.
Ik betreed een vier maal
zo grote zaal, waar het ook viermaal zo hard stinkt als in de
voorruimte.
De formaline lijkt hier
aanwezig te zijn tot in de kleinste hoekjes en gaatjes.
Aan het plafond hangen
een aantal grote lichtbakken, waar onderuit scherp wit licht naar
beneden
schijnt.
Het is koud, evenals de
kleur van het licht.
Ik kan enig rillen niet onderdrukken.
Niet dat ik verwacht had
dat men hier gezellig rond de tafels zou staan keuvelen met in de ene
hand
een kopje koffie en in de
andere een gevulde koek, maar er hangt werkelijk een sinistere sfeer.
Onder de lichtbakken
staan roestvrij stalen tafels, identiek als in de voorruimte stonden.
Het meest luguber is de
Tupperware party die zich afspeelt langs één van
de muren.
Er staan daar grote
plastic bakken, opaal wit, twee en een halve meter lang en een
meter hoog.
De bakken zijn deels
afgedekt met deksels van hetzelfde materiaal.
Het geheel doet denken
aan gigantische lunchtrommels.
He enige verschil is dat
de trommels geen boterhammetjes bevatten, maar menselijke resten,
liggend
in een formalinebad.
De zaalbediende heeft
alles keurig gesorteerd.
Er zijn bakken, die
complete lichamen bevatten.
Ik kan de menselijke
contouren duidelijk onderscheiden door de licht doorschijnende wanden
heen.
Van sommige lichamen kun je zien dat ze deels tegen de wand gedrukt
liggen.
Andere bakken bevatten
armen met schouders.
Weer andere zijn gevuld met benen.
Op de tafels liggen de
gedeeltelijk geprepareerde en ontlede menselijke resten.
Iedereen houdt onbewust
zijn of haar tred in en loopt daarna verder naar de aangewezen tafel.
.....................................................................................
© copyright paul hammelburg 2008