terug

de kunstschilder

 

Nadat hij de sleutelbos uit zijn zak had gepeuterd, opende hij de deur van zijn atelier.
Binnen was het duister.
Achter de deur zette hij zijn boodschappentas op de grond.
Op de tast liep hij het atelier door en zocht met zijn handen naar het lichtknopje.
Het kostte hem wat moeite, maar uiteindelijk vond hij de ouderwetse schakelaar.
Een klein peertje sprong aan met als effect dat het nu schemerig was in de ruimte.
Jean-Louis liep naar de ramen, opende deze en vervolgens de luiken.
Het zonlicht stroomde naar binnen, rechtstreeks op de gigantische puinhoop in het atelier.
Er stond een werkbank tegen de lange wand onder het raam.
Daarnaast was een oude gootsteen met daarboven een geiser.
De werkbank lag overdekt met volle, halfvolle en lege tubes verf, potten met kwasten, lappen en kranten.
Aan de wand tegenover de werkbank stond een oude grijze sofa.
Tegen één van de korte wanden stond een klein vierkant eettafeltje, waarop simpele
geluidsapparatuur geplaatst was.
Ernaast stond een speaker.
De andere speaker hing aan een spijker in de tegenovergestelde hoek.
Voor deze speaker hing, aan een andere spijker, een enorme bouwlamp.
Centraal in de kamer stond een grote schildersezel.
Alles, maar dan ook alles zat onder de verfspatten.
Alsof een confettikanon zojuist z’n inhoud naar binnen had gebraakt.
De muren waren zwart geschilderd en waren bedekt met tientallen schilderijen.
Van boven naar beneden en van links naar rechts.
De rest van de ruimte stond opgevuld met lege doeken en half afgemaakt werk.
Tussen dit alles stonden een aantal volle asbakken, lege wijnglazen en een bord, halfvol macaroni.
“Eerst even opruimen”, zei hij tegen zichzelf.
Hij pakte het bord, één glas en één asbak en bracht dit naar de gootsteen in de hoek .
“Zo, dat is gebeurd”, mompelde hij tevreden.
Op weg naar huis was hij langs de supermarkt gelopen en had daar een kant en klaar maaltijd gehaald.
Daarna was hij de plaatselijke slijter binnen gegaan en had twee flessen van zijn favoriete wijn gekocht.
“Zet het even op de rekening”, had hij gezegd.
Het klonk meer als een gebod dan als een vraag en de slijter zuchtte eens diep.
Jean-Louis wachtte het antwoord niet af en was de winkel al weer uitgelopen.
Wat raakte hij toch steeds sneller vermoeid, bedacht hij onderweg en ging wat langzamer lopen.
Vandaag had hij zich zo gelukkig gevoeld.
Hij had bijna de hele dag zitten schetsen in het bos bij het vennetje.
Het was tijdloos heerlijk om steeds weer te proberen het water te vangen op het papier.
Uiteindelijk was hij tevreden geweest met het resultaat en was het water werkelijk 'nat' geworden in zijn schetsboek.
Daarna was hij achter een boom in een zachte slaap geleden.
Jean-Louis kon prachtig schilderen.
Hij had de gave om datgene wat zijn ogen zagen met gevoel op het doek te krijgen, alsof een onzichtbare hand hem leidde.
Sinds een paar weken schilderde hij weer, zoals hij was begonnen.
Hij legde zijn ziel en zaligheid weer in zijn werk en hij voelde zich daar goed bij.
Jean-Louis kwam van het Franse platteland.
Hij was de jongste van twee kinderen.
Op school kon hij slechts met moeite mee.
Toen merkte hij al dat de mensen hem niet begrepen.
Spelen met andere kinderen leidde altijd tot ruzie, dus daar was hij mee gestopt.
Hij trok er liever op uit om te tekenen en te schilderen.
Al snel bleek dat hij ver boven het gemiddelde uitstak toen hij het ontwerp voor het decor van de jaarlijkse schoolopvoering mocht maken.
Toen zijn ouders te oud werden, nam zijn broer de boerderij over en Jean-Louis trok naar Parijs om zich daar verder te bekwamen in het schilderen.
Zijn toelatingsgesprek voor de kunstacademie liep uit op een drama, omdat hij nauwelijks iets begreep van wat de toelatingscommissie aan hem vroeg.
Met enig geluk vond hij in de buurt van Montmartre een goedkope kamer.
Deze kamer bouwde hij binnen twee dagen om tot een regelrechte chaos, annex atelier.
Af en toe verkocht hij een werk voor veel te weinig geld.
Met dat geld en wat ongeregeld werk kon hij net in leven blijven.
In een naburige kroeg ontmoette hij Christa.
Christa kwam uit Nederland en studeerde franse letteren aan de Sorbonne.
Als studente had zij het ook niet breed en wilde wel een kleinigheid bijverdienen als model.
Zij ging poseren voor Jean-Louis.
In het begin was ze wat verlegen, maar na drie dagen was dat helemaal over.
Hij vond haar prachtig en hij streelde haar lichaam met zijn ogen.
Christa smolt voor de kunstenaar en voor de romantiek die altijd om hem heen hing.
Niet veel dagen later ging het poseren als vanzelfsprekend over in een hartstochtelijk liefhebben.
Christa ging bij Jean-Louis wonen in zijn al veel te kleine kamer.
Na anderhalf jaar stopte zij haar studie en ging terug naar Nederland met in haar kielzog Jean-Louis.
Via via vonden zij een appartement met daaronder een klein pakhuis.
Jean-Louis bouwde het pakhuis om tot atelier en ging door met waar hij altijd mee bezig was, namelijk met schilderen.
Christa zocht een baan als administratief medewerkster en vond deze in een naburige stad, bij een advocatenkantoor.
En Jean-Louis schilderde en schilderde.
Iedereen vond zijn werk prachtig, maar er was altijd wel een reden om zijn werk niet te kopen.
Het paste niet in de woonkamer qua grootte of qua kleur.
“Kunt u ditzelfde maken maar dan met meer blauw?”
“Het is mooi,  maar erg duur…”
Langzaam maar zeker raakte hij ontmoedigd.
Christa zorgde voor het inkomen en Jean-Louis kocht er verf,  doeken en kwasten van.
En van wat over bleef kocht hij drank, steeds minder verf en steeds meer drank.
Christa bleef ook steeds vaker overwerken en op een dag kwam zij helemaal niet meer thuis.
Jean-Louis kon niet verwerken wat hem overkwam.
Hoe kon dit nou gebeuren?
Hij hield toch van haar?
Nog steeds maakte hij naakten van haar, omdat hij er niet genoeg van kon krijgen.
Hij deed of zij voor hem poseerde, zoals voorheen.
Christa was voortdurend in zijn gedachten.
Waarom begreep zij hem niet?
Waarom begreep de hele wereld hem niet?
Waarom kocht men zijn meesterlijke werken niet?
Maar hij kreeg geen antwoord op al zijn vragen.
Zijn leven bestond alleen nog uit pendelen tussen de kroeg en zijn atelier.
In de kroeg ontmoette hij een gewiekste zakenman, een handige jongen uit de naburige stad.
Hij kon wel zorgen dat zijn werk verkocht zou worden.
Het enige dat Jean-Louis had te doen was een onredelijk percentage van de verkoopprijs afstaan aan hem.
En misschien hier en daar zijn werk wat aanpassen.
Jean-Louis moest wat meer gaan schilderen zoals de werkelijkheid was.
“Maar ik doe niets anders dan de realiteit schilderen”, riep de schilder uit.
“Ja, dat weet ik wel”, zei de zakenman, “maar, laat ik zeggen, meer als een foto”.
“Dat kan ik niet, ik kan niet anders werken dan ik mijn hele leven al gedaan heb”, antwoordde hij in paniek.
“Maak je niet van streek, ik heb de oplossing al voor je bedacht”, vervolgde de zakenman zijn praatje.
“We laten leuke foto’s van landschapjes en stadsgezichten op canvas afdrukken en daarna werk jij ze bij met acrylverf.
Ik neem er meteen een stuk of twintig van je af.
Nou, wat denk je er van?” en hij sloeg eens op de tafel.
In gedachten maakte Jean-Louis een afweging.
“Ik heb geen geld en wel schulden, wat moet ik?”
Met tegenzin gaat hij in op het voorstel.
“Mooi, dan lever ik je volgende week alvast wat doeken met voorgedrukte afbeeldingen er op.
Jij werkt ze wat bij, even signeren en klaar is Kees”.
’s Avonds maakte hij zijn excuus tegen de foto van Christa.
“Neem het mij niet kwalijk…”, mompelde hij tegen haar.
Het werd een groot financieel succes.
Tot woede en onbegrip van de schilder werd het werk gretig gekocht en binnen de kortste keren ging zijn naam rond in de betere kunstkringen.
De 'kenners' trapten er met open ogen in.
Maar Jean-Louis begreep het leven niet en voelde zich een prutser.
Morgen was het weekend.
Dan zou zijn atelier weer open zijn voor bezoekers.
Dat vereiste dat zijn atelier werd omgetoverd tot galerie.
Jean-Louis was daar niet handig in.
Hij had moeite te bedenken dat de foto’s op canvas, die nog niet klaar waren voor verkoop, verborgen moesten worden.
De zakenman kwam op vrijdagmiddag altijd even langs om alles op orde te brengen.
Wat wel prettig was, was dat hij dan ook een paar flessen wijn meebracht.
Morgen kwamen ze weer, van heinde en ver, met grote dure auto’s.
Op zijn appartement boven het atelier was hij nauwelijks meer te vinden.
Hij waste zich bij de gootsteen.
Zijn haren waren lang en wild.
“U lijkt wel een clown, een domme August”, had een bezoekster laatst tegen hem gezegd.
Jean-Louis had niets geantwoord, maar de volgende dag was hij naar de naburige stad gegaan en had op de rommelmarkt een veel te groot colbert gekocht.
Het was beige met grote bruine ruiten.
In de stoffenzaak bij hem in de buurt kocht hij een meter zwart fluwelen lint.
Als het atelier geopend was voor het publiek trok hij over zijn rode T-shirt, het colbert aan en om zijn hals strikte hij het zwarte fluwelen lint.
Nu was hij tenminste een echte clown, vond hij zelf.
In het Gooi kwam hij op iedere party ter sprake.
“Ja, hij maakt zulk bijzonder werk, lijkt mij een echte goede belegging en bovendien is hij zo schattig excentriek, heb je zijn kleding gezien en dat haar….”
“Wat kost dit landschapje?”, vroeg de vrouw van de notaris.
“De prijs staat er op, mevrouw”.
“Ja maar, Jean-Louis, ik bedoel, wat moet ik er voor betalen?”
En bij het woordje ik gaf ze hem een knipoog en legde een hand op zijn schouder.
Jean-Louis begreep het weer niet goed.
Hij deed een stap naar achter en nam de notarisvrouw van onder tot boven op.
Toen schudde hij zijn hoofd en zei: “Nee, ik wil u niet, ik vind u te mager.
Ik houd van ronde vormen, niet van zo’n zak kluiven”.
De vrouw liep hevig gechoqueerd het atelier uit en deed haar beklag bij haar chauffeur.
Jean-Louis begreep het niet.
Het was toch een zak kluiven?
"Ik begrijp de mensen niet.
Wat zeg ik nou verkeerd?"
Jean-Louis zei van zichzelf dat hij geen schilder meer was, maar dat hij tot een verver was afgezakt.
“Wat is je beroep?”
“Mijn beroep is verver”.
“Van stoffen?”
“Nee, van doek”.
“Dag Jean-Louis, ik heb een staaltje van onze nieuwe bank bij mij.
Ik had graag een schilderij van één meter vijftig bij één meter van de Sint Jan in dezelfde kleur paars, als dit voorbeeld.
.......................................................................

Hoe dit verhaal verder gaat, kunt u lezen in mijn boek.

 



                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                   
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008