terug

de grote larini, goochelaar

 

 

Arie was een veelbelovend goochelaar/manipulator.
Ik kende hem uit mijn jeugd.
Hij goochelde al als jonge jongen en ik ook.
Dit was een leuke basis voor een vriendschap, die duurde tot we elkaar uit het oog verloren.
Hij ging werken in de decorbouw en werd semi- professioneel goochelaar.
Ik ging studeren.
Minstens twee maal per week kwamen we bij elkaar om de laatste trucs uit te wisselen en om elkaar te helpen met verbeteringen aan de presentatie.
Ik mocht mee op vakantie naar Spanje, samen met zijn broer, schoonzus en zijn moeder.
Er was al heel lang geen vader meer.
Hij scheen nog wel te leven, maar Arie had geen contact meer met hem.
Arie wilde nooit over hem praten.
Het was een nerveuze jongen, die in onbedaarlijke giechelbuien kon belanden.
Hij gilde het dan uit van de lach onder het uiten van: “Ik kan er niks aan doen, ik kan er niks aan doen!”
Hij was meer gespecialiseerd in een mooie presentatie à la Fred Kaps, ik legde mij toe op de komische kant.
Arie pakte het serieus aan.
“Ik wil beroemd worden”, zei hij regelmatig.
Hij investeerde veel geld in kleding voor zijn optredens en gebruikte potten vol schmink.
Ook buiten zijn optredens begon hij zich af en toe op te maken.
De frequentie waarin wij elkaar zagen werd minder.
Af en toe bezochten wij nog gezamenlijk een goochelcongres en Arie, alias de grote Larini begon naam te krijgen.
De grote Larini werd volledig beroepsgoochelaar.
Hij was een hele goede vakman, maar had de pech om, welke reden dan ook, net niet de top te halen.
Arie verdiende zijn geld eerst in nachtclubs en later op cruises.
Naast goochelshows geven ging hij aan boord rijke Amerikaanse dames entertainen.              
De Grote Larini werd niet wereldberoemd, maar zakte langzaam af.
De Grote Larini werd, naast goochelaar, een dobberende gigolo.
Ik sprak hem enkele tientallen jaren niet meer.
Op zo maar een dag kreeg ik opeens een overlijdensbericht van zijn moeder.
Het raakte mij, ondanks dat ik Arie al zo lang niet meer gezien had.
Ik schreef hem een briefje.
Een paar maanden later belde Arie mij op.
Het gesprek liep wat onwennig.
Arie woonde inmiddels in Vianen.
Hij was getrouwd met een vrouw, die hij aan boord had leren kennen en had inmiddels een dochter van negen jaar.
“Je goochelt nog steeds?”, vroeg ik.
“Ja…ja…”, klonk het wat weifelend.
“Wel weer, ja…”
“Zullen we wat afspreken?”, vervolgde ik.
“Zou ik erg leuk vinden”, klonk het hoopvol aan de andere kant.
“Maar je moet wel hierheen komen”, zei Arie er snel achteraan.
Ik vond het best en wij maakten een afspraak voor de week daarop.
Op weg naar Vianen liet ik mijn fantasie de vrije loop.
Hoe zou Arie wonen? Riant?
Hij zal wel een rijke Amerikaanse dame op leeftijd aan de haak geslagen hebben.
Nee, dat kon eigenlijk niet, met een dochter van negen jaar.
Toen ik op de plaats van bestemming was aangekomen, stond ik voor de middelste van een grauwe flat.
Een plukje groen was er nauwelijks waar te nemen.
Een mistroostige hal heette mij niet welkom..
Het stonk er doordringend naar Lysol.
Ik zocht het juiste nummer op het bellenbord.
Tussen nummer 397 en 415 moest ergens nummer 403 zitten.
De overige nummerplaatjes ontbraken, om over de naamplaatjes maar te zwijgen.
Het idee van de welgestelde Amerikaanse lady had ik inmiddels al volledig laten varen.
Nadat ik gedrukt had op de knop die waarschijnlijk bij nummer 403 hoorde, gebeurde er niets.
Ik wachtte zonder resultaat en drukte nogmaals.
Via de geluidsinstallatie hoorde ik gekraak.
Op goed geluk riep ik in een rijtje gaatjes mijn naam.
Met een onaangenaam gezoem werd de tussendeur ontsloten.
Toen ik in de lift stond, realiseerde ik mij dat ik niet wist op welke verdieping ik moest zijn.
Ik gokte op de bovenste etage en ik gokte goed.
Midden op de lange galerij ging een deur open en een melkchocoladekleurig meisje kwam naar buiten gehuppeld.
“Dag meneer, u bent zeker Paul.”
“Ja, dat klopt, en hoe heet jij?”
“Net zo als mijn moeder”, eindigde de eerste helft onbeslist.
“Ik denk, Anneke”, schoot ik naast.
“Nee hoor, Gwendolyne natuurlijk!”, zei het meisje lachend, alsof dat de normaalste zaak van de wereld was.
Inmiddels hadden we de voordeur bereikt.
“Pap, hij is er!”, riep ze tegen de lege hal.
De tussendeur ging open en, inderdaad, pap was wat papperiger dan ik hem herinnerde.
En wat grijzer… en wat bleker , kortom twintig jaar ouder.
Na een "hoe-gaat-het-goed-en-met-jou-goed" ging Arie mij voor de flat in.
De woning was summier en niet al te enthousiast ingericht.
In de woonkamer stond een saaie beige bank niet op te vallen tegen een eveneens beige muur.
Her en der een stoel en een tafeltje.
Aan de muur hing een dertien in een dozijn schilderijtje van Montmartre.
Dat was het.
De vaste vloerbedekking was, je raadt het al, beige.
De eettafel had een licht formicablad met een wafeltjesmotief.
Aan deze tafel zat een kleine ineen gedoken vrouw, drie tinten donkerder dan Gwendolyne, meer puur dan melk.
Ik liep op haar toe en zei lachte breed naar mij.
“Dit is mijn vrouw…”
“Hallo Gwendolyne”, onderbrak ik Arie.
“O, je hebt onze dochter al ontmoet, begrijp ik”, zei zij nog breder lachend met een accent dat ik niet thuis kon brengen.
Ik keek nog eens rond en dacht: “Dus hier woont de Grote Larini.”
Arie begon te vertellen.
“Het ging eigenlijk wel goed. Ik had werk voldoende. Het hele jaar door cruises.
Twee voorstellingen per dag, vijf dagen per week en dan nog wat los entertainment.”
Het viel even stil.
Gwendolyne puur stond op en liep naar de keuken.
“Toen begon het minder te gaan.
Het hele jaar onderweg zijn.
Altijd uit een koffer leven.
Het werd steeds moeilijker met iets nieuws te komen.”
Ik knikte begrijpend.
“Ik had nog wel ideeën, maar het lukte gewoon niet meer.                                       
Ik durfde niet meer op te treden.
Ik durfde eigenlijk niet goed mijn hut meer uit.”
“Eet je een boterham mee?”, klonk het uit de keuken.
“Graag”, antwoordde ik.
“Inmiddels had ik aan boord Gwendolyne leren kennen.
Om een lang verhaal kort te maken, zij raakte zwanger en ik werd afgekeurd.
Toen zijn we hier in Vianen gaan wonen.”
Ik at twee boterhammen met pindakaas.
“Gwendolyne doet eigenlijk alles.
Ik durf niet zelfstandig naar buiten.                                 
Ik durf ook niet zelf auto te rijden.”
Opnieuw stilte.
“Ik durf wel mee als Gwendolyne rijdt.”
“Nou, dat is dan in ieder geval weer een begin”, zei ik quasi opgewekt.
“Ja, maar ik durf niet over de Lekbrug en de brug bij Zaltbommel”, sneed Arie mij de pas af.
“En hoe gaat het met goochelen”, probeerde ik van onderwerp te veranderen.
...........................................................................

Hoe dit verhaal verder gaat, kunt u lezen in mijn boek.

                                                                                     

                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                   
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008