de dikke dame
Bella beschikte, behalve
over een echtgenoot en een pekineesje, ook over een enorme omvang.
De eerste jaren kwam zij
nog zelf op het spreekuur.
In de wachtkamer nam ze
twee stoelen in beslag.
Dat was ook volledig in
overeenstemming met de tijd die zij nodig had in de spreekkamer.
“Ha die dokter, daar zijn
we”, klonk het meestal iets te vrolijk, waarna zij met veel
gepuf en gesteun de spreekkamer
binnenwaggelde.
Het “we” was niet omdat
zij met z’n tweeën binnenkwamen, maar meer een vorm
van pleuralis majestatis, passend bij
haar postuur.
Hoewel, soms bracht zij haar mini-hondje mee naar het spreekuur.
"Winston" was in verhouding tot Bella slechts een keffend kuikentje.
Alles was te
aan Bella, haar kleding, haar
sierraden, haar make-up, haar hondje.
Ik leerde haar kennen
toen zij een jaar of vijftig was.
In ons
kennismakingsgesprek vertelde zij mij meteen haar hele hebben en
houwen.
Tot in de kleinste
details.
Bella had nooit goed los
kunnen komen van haar moeder.
“Ja, dokter, mammie is
altijd bij mij gebleven.
Eerst heeft zij altijd
bij mij ingewoond.
Toen kwam Jantje en toen
is zij in het huis ernaast gaan wonen.”
“Jantje” was haar man,
het best te omschrijven als een ielepiel.
Jantje was in lengte
driekwart en in gewicht minder dan de helft van Bella.
Jantje deed wat Bella zei
dat hij moest doen.
Bella deed wat mammie zei
dat zij moest doen.
Conclusie: Jantje deed
zowel wat Bella, als wat mammie zeiden dat hij moest doen.
Mammie hing als een
zwarte sluier over het huwelijk van Bella en Jantje heen.
Een paar weken later
leerde ik bij toeval “mammie” kennen.
Ze had wel iets weg van
een heks, alleen de pukkel op haar neus en de puntmuts ontbraken.
Haar kraakstem en datgene
wat zij uitkraamde sloot naadloos aan bij het beeld dat ik van
Eucalypta had.
Ik prees mij gelukkig dat
zij niet tot mijn patiëntenpopulatie behoorde.
“Maar mammie komt nog wel
altijd eten en ’s avonds gezellig televisie
kijken”, voegde Bella ter geruststelling er aan
toe.
Ik keek eens vluchtig in
mijn gegevens of er ook kinderen waren.
Alsof zij mijn gedachten
kon raden, zei Bella met een zucht:
“Toen ik dertig was, heb
ik een miskraam gehad.
Dokter, dokter, wat heb
ik een pijn geleje!”
Bella sloeg haar droevige
hondenogen ten hemel.
“Mammie zei ook: kindje,
kindje, dat hoeft voor mij niet meer te gebeuren.”
Er viel een korte stilte,
waarbij ik Bella vragend aankeek.
“Ik heb toen tegen Jantje
gezegd, nou jongen, steek jij um voortaan maar tussen de deur of ga
naar de buurvrouw.”
Mijn gezicht zat strak in
de plooi en ik zag dat Bella nadacht.
“Ja, ik bedoel natuurlijk
de buurvrouw aan de andere kant…”
Het lukte mij niet een
kort hikje te onderdrukken, maar Bella scheen het niet te merken.
“En sinds die tijd hebben
wij het niet meer gedaan.”
Bella was duidelijk
opgelucht en besloot met: “Nou dokter, dan weet u meteen
alles.”
Ze keek mij met haar
verdrietige ogen aan en knikte zachtjes.
“Ik had wel vier kinderen
willen hebben.”
Nu had ik even tijd nodig
om na te denken.
Ik bekeek haar nog eens
goed.
De dikke dame ging schuil
achter een dikke laag make-up, daarbij had zij zichzelf rode koontjes verschaft en signaalrode
lippen.
Aan haar oren hingen
gouden ringen, geschikt om gymnastische oefeningen aan uit te voeren.
Haar dikke handen werden
getooid door ringen, met en zonder briljanten, maar zonder uitzondering groot en opvallend.
“Sinds wanneer bent u
zwaarder geworden?”
“Nou, ik was altijd al
dik, maar toen is het wel erger geworden.
Maar binnenkort ga ik op
dieet en ik heb zo’n trilband gekocht.
Daar schijn je ook goed
mee af te vallen.”
De jaren daarna werd
Bella dikker en dikker.
Zij kon bijna niet meer
op het spreekuur komen.
In haar gedrag veranderde
niets.
Aan haar gezicht ook
weinig.
Zij bleef zich verbergen
achter lagen make-up.
Zij bleef te opgewekt.
Alleen haar ogen verrieden
haar.
Zij leken steeds kleiner
en verdrietiger te worden in haar steeds vollere maansgezicht.
Zij had alles al
geprobeerd, pillen, Atkins dieet, sherrydieet, Montignacdieet, en alle
diëten
die in de bladen vermeld stonden.
Dat is tenminste wat zij
vertelde.
Hoe lang zij de diverse
diëten hield, vermeldde zij zelden.
De dag kwam dat Jantje
belde en met zijn piepstem vroeg of de dokter langs wilde komen, want
Bella was niet meer in staat
naar het spreekuur te komen.
Ik bezocht haar in de
loop van de morgen.
Buurheks mammie stond te
loeren achter de vitrage.
“Ha die dokter”, werd uit
de kamer geroepen, terwijl ik nog in de gang stond en probeerde de keffende Winston van mijn broek los te krijgen.
Bella zat als de koningin
op haar troon.
Haar koninklijke gewaad
bestond uit een kunstzijden nachttent.
Zij meende dat ik vanaf
nu ook tot haar onderdanen behoorde.
“Ik heb sinds gisteren
pijn in mijn buik”.
Met moeite
stond zij op van haar troon, steunend
op de tafel.
Zonder mijn reactie af te
wachten tilde zij de Boltini nachtjapon langzaam omhoog.
Even had ik het gevoel
dat ik in Carré zat, dat de voorstelling ging beginnen en
dat het doek op ging.
Ik keek aan tegen…. Ja,
waar keek ik eigenlijk tegen aan?
Ik moest mij even
oriënteren in de onvoorstelbare vleesmassa.
Haar buik hing tot
vlak boven haar knieën en diende als een matras, waarop haar
borsten gedrapeerd hingen, ook tot
bijna op haar knieën.
Hier was nauwelijks
lichamelijk onderzoek mogelijk.
Ik had niet de indruk dat
er iets acuuts aan de gang was.
Mijn waarschuwingen dat
het fout zou gaan als zij zo door zou gaan met eten en aankomen,
hadden nooit enig effect.
Zij weigerde pertinent in
overweging te nemen om een maagband te laten plaatsen, want dan zou zij niet lekker meer kunnen
eten…
Ik kreeg een inval.
“Ik adviseer u om drie
dagen uitsluitend water en slappe thee te gebruiken.
Dus absoluut niets eten.”
’s Middags kreeg ik de
assistente al een telefoontje van Jantje dat het een stuk beter ging
met de buikpijn en of Bella
misschien een piepklein stukje chocola mocht nemen.
In de week voor kerst
kwam Jantje aan de balie.
Ik moest net iets
nakijken bij de assistente, dus ik stond zelf bij de balie.
Het hoofd van Jantje stak
precies boven de balie uit en hij piepte: “Dokter, kunt u
straks even langskomen, want Bella is
vanmorgen van de laatste tree van de trap gevallen.”
Bij aankomst op het mij
inmiddels zeer bekende adres, zag ik de vitrage al weer bewegen.
Ik zwaaide naar
Eucalypta.
..................................................
© copyright paul hammelburg 2008